Vroeger herkende men een krantenbedrijf aan zijn bladen die rood, roze of bruin waren en rechtlijnige, onbuigzame of meegaande nerven hadden. Tegenwoordig lijkt het of de dagbladdirecties er op uit zijn om gezamenlijk een boom op te zetten die eenvormige en kleurloze bladen zal dragen. Deze boom wordt met elke fusie dikker en tevens steeds holler. De gapende gaten hoopt men dicht te kunnen metselen met subsidies die verkregen worden door parlement en minister aan een noodzakelijke verscheidenheid van de bladen te herinneren. De enigen die deze verscheidenheid in stand pogen te houden zijn de journalisten. Nijvere bladluizen die het blad waarvoor zij werken een eigen aanzien trachten te geven. Zij leveren een wanhopig gevecht met de rug tegen een afbrokkelende muur waarachter de afgrond van fusies en ontslag dreigt. Dit boek is gewijd aan het meest onvrije van alle vrije beroepen, aan de journalisten van het eerste uur en aan degenen voor wie het laatste uur schijnt te hebben geslagen, aan de keiharde nieuwsjagers en aan het publiek dat het lezen niet kan laten maar al likkebaardend hel en verdoemenis over hen afroept en aan alle andere grillen van dit vak dat de mensen die er mee omgaan besmet voor het leven.
Huub Schoondergang Book order (chronological)
