Kopstoot en andere praktijkverhalen
- 117 pages
- 5 hours of reading






Kurt Wallander is back, and this time he must discover why a girl has doused herself in petrol and burned herself to death, and solve the mystery behind the savage murder of a former government minister.
This novel, written in 1974 and now published for the first time in English, is the first volume of a tetralogy which follows a Swedish community through a hundred years of recent history to the present day.
1. De chirurgijn van de koningin2. De komediant van de koning3. Zus en broerBundeling van drie verhalen over Pleijels Zweedse familie: van Herman Schützer, lijfarts van de koningin; over toneelspeler Lars Hjortsberg, lieveling van de koning; tot Lars’ kleinkinderen, de doofstomme Albert en de muzikale Helena. Albert strijdt tegen zijn beperkingen, Helena tegen de regels van hun strenge vader.
Rond 1950 was Olof Helmersson een beroemd predikant, die door zijn bevlogen preken hele dorpen wist te bekeren – sommige mensen bekeerde hij zelfs meerdere malen. Maar vijftig jaar later is hij tot de conclusie gekomen dat zijn geloof een dwaalspoor was. Hij keert terug naar het noorden om zijn volgelingen op te biechten dat hij zich heeft vergist. Hij merkt dat de streek onherkenbaar veranderd is; veel mensen zijn overleden of weggetrokken. Degenen die er nog wel wonen blijken niet op zijn komst te zitten wachten. Zijn missie lijkt dus overbodig.
The wonderful women are Bella, married, mother of seven-year-old Thomas, and Rosa, married, mother of two daughters, including the enterprising Renee. The story opens in the summer of 1961, and covers the years in which their children grow into young adults through to the 1970s.
Het licht speelt zich af in het dorp Kadis. Een boer ziet er sinds zijn jeugd steeds dezelfde vrouw in zijn dromen. Ze heeft ogen die dicht bij elkaar staan, een moedervlek op haar rechterwang en een spleetje tussen haar voortanden. De boer is ervan overtuigd dat zij echt bestaat en noemt haar Maria. Laat in de herfst besluit hij naar de stad te reizen om haar te zoeken. Als hij haar niet kan vinden neemt hij een drachtig konijn mee terug dat hij de naam Maria geeft. De boer sterft nog diezelfde dag: het konijn is besmet met de pest. Slechts zes dorpsbewoners overleven de epidemie die vervolgens in Kadis uitbreekt. En dan begint de ellende pas goed. Want iedere overlevende probeert zich met leugens en bedrog bezittingen van de doden toe te eigenen. En hoe moet je met elkaar leven als iedereen liegt en chaos de natuurlijke toestand is geworden?