Alles moet mooi zijn aan de mens
- 376 pages
- 14 hours of reading





In a chaotic 1945 German railway station, Helene flees west with her seven-year-old son but ultimately abandons him on the platform, never to return. Years earlier, her childhood in rural Germany is shattered by the First World War. After her father is sent to the eastern front and dies, their Jewish mother descends into a mental state Helene describes as the "blindness of the heart." This emotional detachment leaves Helene and her sister Martha feeling increasingly isolated. In the early 1920s, they move to Berlin, where Helene falls in love with Carl, only to face heartbreak when he dies just before their engagement. Seeking solace, she immerses herself in her work as a nurse. At a party, she meets Wilhelm, an ambitious civil engineer eager to build motorways for the Reich and marry Helene. Their marriage quickly spirals into disaster, leading them to Stettin, where Helene's son is born. Struggling to meet her child's emotional needs, she becomes consumed by the idea of disappearing. The narrative explores the impact of two World Wars, weaving themes of hope, loneliness, and love into the life of a remarkable woman navigating a tumultuous era.
Adaption is everything, something Frau Lohmark is well aware of as the biology teacher at the Charles Darwin High School in a country backwater of the former East Germany. A strict devotee of Darwin's evolution principle, Lohmark views education as survival of the fittest: classifying her pupils as biological specimens and scorning her colleagues for indulging in 'favourites'. However, as people move West in search of work and opportunities, the school's future is in jeopardy and the Lohmark is forced to face her most fundamental lesson: she must adapt or she cannot survive.
Een dertigjarige vrouw bezit een licht vervallen hotelletje in de bocht van een rivier. Ze heeft het geërfd van haar moeder, die ze nooit beter heeft willen leren kennen dan strikt noodzakelijk. Ze bestiert het hotel zonder enig enthousiasme. Wanneer een van de gasten overlijdt, haalt ze er de politie niet bij, maar vergrendelt de deur van de kamer. En ze sluit een verzekering af met de bedoeling de boel in brand te steken en met het verzekeringsgeld een hotel op Cuba te kunnen beginnen. Maar dan komt er op een goede dag een nieuwe kok, die van pittig eten houdt en met al even pittige ideeën de sfeer in het hotel tracht te veranderen. Eindelijk lijkt er iets te gebeuren in haar leven.
Karl Schlögel reisde al lang voordat de Berlijnse Muur viel naar de belangrijkste steden van Oost-Europa, toen het Oostblok voor de meeste West-Europeanen terra incognita was. Sinds 1989 is er weinig aan die onwetendheid veranderd. Schlögel probeert zowel de gemeenschappelijke geschiedenis van Oosten West-Europa te ontdekken, alsook de veranderingen in de grote Oost-Europese steden in kaart te brengen. Hij reist naar Kaliningrad en Czernowitz, de geboortesteden van wereldberoemde denkers en dichters. Hij laat zien hoe sporen van het oude, vooroorlogse Europa worden opgegraven en opgepoetst – het Bauhaus in Brno, jugendstil in Budapest. En hij richt zijn blik op provinciesteden zoals Marjampole in Litouwen, waar één keer per week de grootste tweedehandsautomarkt van Europa wordt gehouden, en waar Oost-Europa van oude auto’s uit het westen van het continent wordt voorzien. Juist in zulke steden is sinds 1989 een onzichtbare band tussen Oost en West ontstaan.Als vrucht van bijna dertig jaar reizen naar en schrijven over Oost-Europa biedt Steden lezen een rijk geschakeerde verzameling essays en reportages over het nog altijd onontgonnen terrein achter het voormalige IJzeren Gordijn